Een orthodontist is ook wel een ‘beugeltandarts’ en een bracket is een ‘slotje’. Binnen de orthodontie gebruiken we veel woorden waar je misschien nog nooit eerder van had gehoord. Wil je weten wat deze woorden betekenen? Zoek het dan op in deze lijst!

Activator

Een uitneembare beugel die de kaakspieren en de groei van de kaken stimuleert om zo de boven- en onderkaak goed op elkaar te laten sluiten. De activator kan alleen worden toegepast wanneer de patiënt nog in de groei is. De activator is ook wel bekend onder de namen: blokbeugel, bionator en Van Beek activator.

Aligner

Een Invisalign behandeling bestaat uit een reeks transparante hoesjes (aligners) die speciaal voor jouw gebit op maat worden gemaakt. Iedere week wordt de aligner vervangen door een nieuwe aligner die net iets verschilt van de vorige. Zo worden je tanden en kiezen stapje voor stapje naar de juiste positie bewogen.

Anterior

Anterior wordt gebruikt voor de aanduiding van een lichaamsdeel dat vόόr een ander gelijkwaardig lichaamsdeel ligt. Voorbeeld:
De voortanden bevinden zich anterior ten opzichte van de kiezen.
Binnen de orthodontie wordt de term ook gebruikt om de vorm van een open beet aan te tonen. Bij een anterior open beet raken de voorste tanden elkaar niet.

Anti-tandenknars gebitsbeschermer

Een uitneembaar ‘hoesje’ dat voornamelijk ’s nachts wordt gedragen om slijtage aan het gebit te verminderen door bijvoorbeeld tandenknarsen of doorbijten.

Band

Een metalen ring die om de achterste kiezen geplaatst wordt en dient als vast ankerpunt waar kracht vandaan kan komen.

Beugel

Elk apparaat, vastgehecht aan de tanden of los, ontworpen om de stand van het gebit te corrigeren, de positie van de kaken te wijzigen, of de tanden in hun uiteindelijke positie vast te houden.

Boog

Een speciale elastische draad die in brackets geplaatst wordt om spanning op de tanden en kiezen uit te oefenen, waardoor deze geleidelijk naar de juiste positie worden verplaatst.

Brackets (slotjes)

Metalen ‘slotjes’ die op de tanden en kiezen worden geplakt om zo de boogdraad op zijn plaats te houden.

Bruxisme / tandenknarsen

Bruxisme is het over elkaar schuiven van de tanden en kiezen van de boven- en onderkaak. Dit knarsen van de tanden gebeurt over het algemeen ’s nachts tijdens de slaap. Bruxisme kan diverse klachten veroorzaken waaronder slijtage aan het gebit, pijn in de kaakgewrichten, cariës en/of gevoelige tanden.

Buccaal

Het vlak aan de buitenzijde van de tandboog of kaken dat tegen de wang aanligt.

Buccale buis

Een klein deel van een bracket die meestal geplaatst wordt op één van de achterste kiezen. In de buis kunnen verschillende onderdelen van een beugel bevestigd worden, waaronder de boog van een slotjesbeugel, een ‘lip bumper’, of het hoofddeksel van een buitenboordbeugel.

Documentatie

Het materiaal en de informatie die een orthodontist nodig heeft om goed te kunnen diagnosticeren en een beugelbehandeling van de patiënt te plannen.
Documentatie bestaat onder andere uit een overzicht van de gezondheidstoestand en groei van de patiënt, (3D röntgen)foto’s van de stand van de kaken en tanden en kiezen en gebitsafdrukken.

Ectopische eruptie

Het proces waarbij één of meerdere tanden in een abnormale positie doorbreken in de mond.

Elastieken

Elastieken worden vaak gebruikt in combinatie met een slotjesbeugel. Ze zorgen ervoor dat de boven- en onderkaak goed passend op elkaar worden geplaatst. De elastieken worden aan de kleine haakjes van de slotjesbeugel bevestigd en zetten zo de tandboog in de boven- en onderkaak op spanning.

Eruptie

Het proces waarbij tanden en/of kiezen doorbreken in de mond.

Extractie

Het verwijderen van tanden en/of kiezen.

Facebow

Een speciale draad die vaak wordt gebruikt in combinatie met een buitenbeugel. De facebow heeft een binnendraad en een buitendraad.

Fiberotomie

Een speciale behandeling die uitgevoerd kan worden na afloop van een beugelbehandeling. Hierbij worden kleine sneetjes in het tandvlees gemaakt rondom de tanden kiezen, waardoor er nieuw tandvlees wordt gevormd die de tanden en kiezen goed kunnen vasthouden in de nieuwe positie.

Flossen

Een belangrijk onderdeel van de dagelijkse mondhygiëne waarbij met behulp van flossdraad plaque en etensresten tussen de tanden en kiezen wordt verwijderd.

Frenulotomie / frenulectomie

Het chirurgisch verwijderen of verplaatsen van de ‘frenulum’/lipbandje: het bevestigingspunt tussen de lip en het tandvlees tussen de bovenste voortanden. Soms is een frenulum zo groot en dik dat er ruimte tussen de voortanden ontstaat. Ook kan het lipbandje te kort zijn, waardoor de lip niet goed kan worden bewogen.

Gebitsbeschermer

Een uitneembaar ‘hoesje’ van zacht kunststof dat over de tanden wordt geplaatst om het gebit te beschermen tegen beschadiging door bijvoorbeeld sportactiviteiten. Het gebruik van een gebitsbeschermer is extra belangrijk voor patiënten die een vaste beugel dragen.

Gebitselementen

Tanden en kiezen.

Gesloten beet / diepe beet

Bij een diepe beet sluiten de bovenste voortanden te ver over de ondertanden. In sommige gevallen bijten de onderste tanden hierdoor in het gehemelte, wat tot onherstelbare schade kan leiden.

Gummy smile / tandvleeslach

Een ‘gummy smile’ of tandvleeslach is een lach waarbij een groot deel van het tandvlees (‘gum’) zichtbaar is.

Headgear / buitenboordbeugel

en beugel die wordt gedragen aan de buitenkant van de mond en wordt bevestigd door middel van een ‘nekband’ om de nek of een ‘petje’ op het hoofd. In de mond wordt de headgear vastgemaakt aan de metalen banden die om de achterste kiezen zitten.

Herbst beugel

Deze beugel wordt gebruikt om de boven- en onderkaak goed op elkaar te laten sluiten. Hierbij wordt de ondertandboog naar voren geduwd en de boventandboog iets naar achteren. De Herbst beugel kan vast of uitneembaar zijn.

Hyperodontie / overtallige tanden

De aanwezigheid van één of meer gebitselementen (tanden of kiezen) boven het normale aantal (20 melktanden en 32 definitieve gebitselementen). Deze extra elementen kunnen misvormd of abnormaal uitbarsten.

Impactie

Een tand of kies die niet volledig kan doorbreken doordat een andere tand of kies in de weg zit.

Incompetente lipsluiting

Het onvermogen om de lippen te sluiten, meestal te wijten aan uitstekende voortanden of erg lange gezichten.

Interproximale reductie / slicen

Het afslijpen van de zijkant van de tanden, waardoor ze beter op elkaar aansluiten. Ook wel bekend als interproximale reductie of emaille reductie.

Klasse 1 malocclusie

Een gebitsafwijking waarbij de beet normaal is, maar de tanden scheef staan, te veel of te weinig ruimte hebben. Hierdoor kan het moeilijk zijn het gebit goed schoon te houden.

Klasse 2 malocclusie

Ook wel ‘overbeet’ genoemd. Een afwijking waarbij de bovenste standen sterk uitsteken ten opzichte van de onderste tanden, meestal veroorzaakt door een te grote bovenkaak of een te kleine onderkaak.

Klasse 3 malocclusie

Ook wel ‘onderbeet’ genoemd. Een afwijking waarbij de onderste tanden sterk uitsteken ten opzichte van de bovenste tanden, meestal veroorzaakt door een te grote onderkaak of een te kleine bovenkaak.

Kruisbeet

Een gebitsafwijking waarbij de tanden en kiezen niet goed op elkaar sluiten. Normaal gesproken sluiten de tanden en kiezen van het bovengebit net iets over de tanden en kiezen van het ondergebit. Bij een kruisbeet is dit niet het geval. Eén of meerdere boventanden en -kiezen sluiten dan binnen de ondertanden en -kiezen.
Een kruisbeet kan achterin de mond voorkomen (‘posterior kruisbeet’) of voorin de mond (‘anterior kruisbeet’).

Labiaal

Het vlak aan de buitenzijde van de tandboog die tegen de lippen aanligt.

Laterale schedelfoto

Een röntgenfoto van de laterale zijde van het hoofd (zijaanzicht).

Module

Een kleine elastische ring die gebruikt wordt bij een slotjesbeugel om de boogdraad vast te houden.

Linguaal

Het vlak van een tand of kies in de onderkaak die naar de tong toe is gericht.

Lip Bumper

Een uitneembare beugel die bestaat uit een draad die vanuit de achterste kiezen achter de onderlip geplaatst wordt. De onderlip duwt tegen de lip bumper waardoor de kiezen van de onderkaak naar achteren worden gedrukt en de voorste tanden van de onderkaak naar voren worden bewogen.

Malocclusie

Een afwijking van de normale beet waarbij tanden, kiezen en/of kaken niet goed staan of niet goed op elkaar sluiten. In het Latijn betekent het: ‘slechte beet’.

Mandibula

Onderkaak.

Maxilla

Bovenkaak.

Occlusie

Een positie waarbij de gebitsbogen van de boven- en onderkaak precies op elkaar passen wanneer de mond wordt gesloten. Occlussie is ook wel de ‘perfecte beet’.

Open beet

Een gebitsafwijking waarbij de tanden en kiezen van de boven- en onderkaak geen contact maken met elkaar. Bij een ‘anterior open beet’ sluiten de voorste tanden niet op elkaar aan, wanneer de achterste tanden zijn gesloten. Bij een ‘posterior open beet’ sluiten de achterste tanden en/of kiezen niet op elkaar aan, wanneer de voorste tanden zijn gesloten.

OPG / orthopantomogram

Een röntgenfoto die zowel de tanden als beide kaken in één beeld laat zien.

Orthodontie

Een specialisme in de tandheelkunde dat zich bezighoudt met de diagnose, begeleiding en correctie van malocclusies. In de meeste gevallen wordt gebruik gemaakt van vaste of uitneembare beugels. De trem orthodontie komt van de oud-Griekse woorden orthos (recht) en odous (tand).

Orthodontist

Een orthodontist is een specialist in de diagnose, preventie en behandeling van afwijkingen in de stand van het gebit en de kaken. Orthodontisten hebben na de studie tandheelkunde een 4-jarige specialistenopleiding in de orthodontie afgerond. De titel orthodontist is beschermt.

Palatinale expander

Een vaste of uitneembare beugel die wordt gebruikt om de bovenkaak wijder te maken.

Parodontale

Harde of zachte weefsels of ondersteunende structuren rondom de tanden en kiezen.

Plaque / plak

Tandplak is een doorzichtig, kleverig laagje van bacteriën, voedselresten en speeksel dat zich gedurende de dag op het gebit afzet. Plak breekt suikers en koolhydraten in de mond af tot zuur. Deze zuren kunnen de tanden en het tandvlees aantasten. Klik hier voor meer informatie.

Poetsen

Tandenpoetsen is onderdeel van de dagelijkse mondhygiëne waarbij tanden, kiezen en tandvlees grondig worden gereinigd. Voor beugeldragers is het extra belangrijk om goed te poetsen. Er kan gebruik gemaakt worden van een gewone of elektrische tandenborstel. Tandenstokers, ragertjes en flossdraad zijn handig voor de moeilijk bereikbare plekken.

Posterior

Posterior wordt gebruikt voor de aanduiding van een lichaamsdeel dat vόόr een ander gelijkwaardig lichaamsdeel ligt. Voorbeeld:
De kiezen bevinden zich posterior ten opzichte van de voortanden.Binnen de orthodontie wordt de term ook gebruikt om de vorm van een open beet aan te tonen. Bij een posterior open beet raken de achterste tanden elkaar niet.

Power chain / kettingelastiek

Een elastische rij van aan elkaar verbonden o-vormige ringen die rondom iedere bracket geplaatst worden om de boog/draad op zijn plaats te houden.

Preventieve behandeling

en orthodontische behandeling met als doel het voorkomen of verminderen van de ernst van een zich ontwikkelende malocclusie.

Retentiebeugel / retainer

Een vaste of uitneembare beugel die gedragen wordt na afloop van een beugelbehandeling. Retentiebeugels zorgen ervoor dat de tanden en kiezen van de boven- en/of onderkaak goed blijven staan in hun nieuwe poititie.

Seperator

Een elastische ring die tijdelijk geplaatst wordt tussen de kiezen om ruimte te creëren voor de plaatsing van banden. Separators zwellen op door speeksel en worden meestal een week voordat de banden geplaatst worden tussen de kiezen vastgezet. Hierna kunnen de banden gemakkelijker en nauwkeuriger om de kiezen geplaatst worden.

Seriële extractie

Het opeenvolgend verwijderen van melktanden en definitieve tanden om ruimte te creëren voor andere permanente tanden.

Space maintainer

Een hulpmiddel dat wordt gebruikt om ruimte te houden voor een definitieve tand die nog niet is doorgebroken nadat een melktand voortijdig is verloren, als gevolg van een ongeval of verval. Een space maintainer voorkomt dat andere tanden zich verplaatsen in de richting van de open ruimte.

Tand-agnesie

Een aangeboren afwijking waarbij één of meerdere tanden niet zijn aangelegd of tot ontwikkeling zijn gekomen. Meestal zijn de melktanden wel aanwezig. Deze vallen niet of pas veel later uit.

Tandboog

Het deel van de onder- en bovenkaak waarin de gebitselementen hun plaats hebben.

Tandvlees

Zacht weefsel rondom de tanden, ook wel bekend als ‘gingiva’.

Tonghek

Een vast hulpmiddel in de mond om tongpersen of vingerzuigen tegen te gaan.

Tongpersen

en gewoonte waarbij de tong krachtig tegen de tanden wordt gedrukt tijdens het slikken en/of in rustpositie. Tongpersen kan de stand van de tanden en kaken beïnvloeden.

Twee-fasen behandeling

Orthodontische behandeling die in twee delen wordt uitgevoerd. De eerste fase vindt plaats tijdens de groeispurt en de tweede fase gebeurt na het wisselen van de tanden en kiezen.

Uitneembare beugel

Een beugel die door de patiënt zelf verwijderd kan worden uit de mond. Uitneembare beugels worden vooral gebruikt om de kaakgroei te sturen, tanden te verplaatsen of in hun nieuwe positie vast te houden.

Vaste beugel

Een beugel die vastzit aan de tanden en niet verwijderd kan worden door de patiënt.

Wax / was

Zacht en kneedbaar materiaal dat op brackets of draden kan worden geplakt ter voorkoming van irritaties in de mond, aan het tandvlees, lippen, tong of gehemelte.

Wilckodontics

Een versnelde orthodontie behandeling waarbij de tanden en kiezen drie tot vier keer sneller op hun plek komen te staan. Deze behandelvorm wordt ook wel ‘Accelerated Osteogenic Orthodontics’ (AOO) of Versnelde Orthodontie genoemd.

Wisselgebit

De periode waarin de melktanden door definitieve tanden worden vervangen (meestal tussen de 6 en 12 jaar). Er zijn in dit stadium tanden van beide soorten in het gebit aanwezig.